Kelder

De kelder, waarvan het gewelf nog volkomen gaaf was, ondanks dat het regenwater er ruim honderd jaar doorheen was gesijpeld. De oorspronkelijke lemen vloer is nu bedekt met oude plavuizen. Waarschijnlijk lag deze vloer vroeger te laag en was daardoor te nat, zodat hij later met een laag van 20 centimeter zand en puin werd opgehoogd, waarop een vloer van veldkeien werd gelegd. Een deel van deze keienvloer is nog aanwezig. In de hoek daarvan, tegen de muur, zitten de resten van een ingegraven, heel oud eikehouten tonnetje (een soort schrobputje).



De twee schietgaten in de ronde kant van de muur waren (op de plavuizen na) vrijwel gaaf gebleven, het schietgat aan de noordzijde was door instorting van het metselwerk zwaar beschadigd. De nis aan de zuidzijde is altijd een luikopening geweest; de "duimen" waarop het luik scharnierde zaten nog in de muur. Bij de trap is een groter luik; daarlangs konden vanuit schuitjes in de gracht de voorraden brandhout en voedsel naar binnen worden gebracht. In het gewelf zijn 2 rijen van 3 zwartgeverfde stompjes ijzer zichtbaar, waaraan waarschijnlijk haken of ringen hebben gezeten, die bovenop het gewelf zwaar waren verankerd. Hieraan konden voedselvoorraden worden opgehangen buiten het bereik van ratten en ander ongedierte.

In de vlakke achterwand is de volkomen gave, middeleeuwse bakkersoven teruggevonden. Deze wordt af en toe nog gebruikt! Daarboven loopt het rookkanaal door de muur omhoog om op zolder te eindigen in de schoorsteen.